C. Peeters, 'De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch' (1985) 252, 282
|
Zwikreliëf z37, zoals aanwezig vóór de restauratie van 1918, toont twee mannelijke figuren, sterk door weer en wind aangetast. De linker figuur is het sterkst geërodeerd maar in grote lijnen nog wel herkenbaar. De figuur staat met het rechter been gestrekt en het linker wat opgetrokken op een monster, dat op de opengesperde bek en de buik na, grotendeels verweerd is. In de bek van het beest steekt de punt van een verder verdwenen lans of van een groot zwaard. De figuur draagt geharnaste ‘ijzeren’ schoenen en knie- en beenstukken, nog deels bewaard gebleven. Het onderste deel van de lijfrok is nauwelijks meer herkenbaar, maar als afdruk nog wel de geschakelde gordel, waaraan links de resten van een klotendolk en rechts het heft van een achter de figuur stekend zwaard zichtbaar zijn. De linker arm is nog deels aanwezig, en daarmee is zichtbaar dat de tuniek zeer wijde, geplooide mouwen heeft. Verder is er één handschoen bewaard, de rand afgezet met rozetten. De man draagt een maliënmuts over het hoofd en de borst; daarop is een wapenschild met een kruis aangebracht. De rechter, opgeheven arm van de man is alleen als afdruk bewaard, | 199 |
|
evenals het hoofd, waarvan goed zichtbaar is dat het een puntige helm heeft gedragen. De rechter figuur is op het hoofd na beter bewaard gebleven. Ook deze man staat met een gestrekt en een opgetrokken been op een hond-achtig monster. Dit goed geconserveerde beest heeft een naar boven opengesperde bek met tanden, grote oren en een stekelige, kronkelende staart. De man draagt net als zijn tegenhanger geharnaste schoenen en knie- en beenstukken. Om de ‘maliënbroek’ hangt een rijk versierde, geschakelde gordel met bloemmotieven. Geheel links hangt aan de gordel een in de schede gestoken zwaard. Ook deze figuur draagt een tuniek met zeer wijde, aan de rand versierde mouwen en handschoenen met een motief van rozetten. In de rechter hand houdt de man het heft van een groot, maar verder verdwenen zwaard omhoog en met de andere hand houdt hij een groot schild, voorzien van een groot kruis, voor de borst. Vanaf de schouders is het hoofd geheel verdwenen en is zelfs nauwelijks meer als een afdruk herkenbaar. Hooguit is nog wat van het wijd krullende haar te zien. Smits ziet voor zijn verklaring van de voorstelling aanknopingspunten in de kruistekens op de figuren en het feit dat “Teutonische ridders” hun opwachting maakten in de Bossche Maria-omgang. Hij wijst daarbij op de vlak buiten de muren gelegen commanderij, bij het huidige Zionsburg in Vught.153 Mosmans, als connaisseur van de rekeningen van de Broederschap en daarmee deskundig wat betreft de Maria-omgang, twijfelt over de deelname van de ‘Teutonische ridders’. In 1931 stelt hij “(-) Hun aanwezigheid in den ommegang kan men veronderstellen, doch ook meer niet”. Enkele jaren later echter, neemt hij de verklaring van Smits gewoon over: “Voor de (-) frontaal koos men, (-) de meest eclatante verdedigers van Kerk en godsdienst, nl. twee leden (een ridder en een zoogenaamd “dienend” lid) van de Teutonische of van eene andere transmarijnsche ridderorde”.154 Merkwaardig genoeg reppen de onderzoekers niet van de voor de hand liggende verklaring dat hier Sint Joris en de aartsengel Michael zijn weergegeven. Hiervoor wordt door de bewaarde onderdelen niets in de weg gelegd; Michael werd immers ook dikwijls zonder vleugels uitgebeeld. Het is zeker niet juist dat, zoals Peeters beweert, dit reliëf in 1920 vervangen is door een zeer vrije kopie.155 Alle nog aanwezige, herkenbare onderdelen werden nauwkeurig gevolgd in het reconstruerende beeldhouwwerk. In 1854 maakten de gebroeders Donkers een schetsmatige tekening van het reliëf. Hieruit is vooral af te leiden dat het beeldhouwwerk ook toen al erg verweerd was. Van het originele beeldhouwwerk bleef niets behouden in de bouwloods. | 200 |
| Noten | |
| 153. | Smits 1907, 170. |
| 154. | Mosmans 1931, 298; Mosmans 1935, 151. |
| 155. | Peeters 1985 A, 250. |
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 199-200
|
Voor frontaal M koos men, toen op dat oogenblik uit de bruikbare versieringsmotieven nog niet was uitgeput, de meest éclatante verdedigers van Kerk en godsdienst, n.l. twee leden (een ridder en een zoogenaamd 'dienend' lid) van de Teutonische of van eene andere transmarijnsche ridderorde. (afb. M) | 151 |
Jan Mosmans, ''s-Hertogenbosch 1185-1935' (1935) 139-156
| 1931 |
Jan MosmansFrontalen van het priester-choor (No. 14)De St. Janskerk te 's-Hertogenbosch (1931) 298 |
Ronald Glaudemans, Het hoogkoor : De wimbergreliëfs (2010) 78-81
Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te 's-Hertogenbosch : Bouwgeschiedenis en bouwsculptuur 1250-1550 (2017) 199-200
Ronald Glaudemans, Sint-Janskathedraal : Bouwhistorisch onderzoek 1999-2008 (2010) 122
C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch (1985) 252, 282
C.F.X. Smits, De Kathedraal van 's Hertogenbosch (1907) 170, plaat XIII